Interview met Stefan Popa

Schrijver Stefan Popa (1989) debuteerde in 2014 met de roman Verdwenen grenzen. Het boek werd onder andere door Jeroen Vullings en het DWDD-boekenpanel geprezen. Nu, twee jaar later, verschijnt alweer zijn derde roman: De verovering van Vlaanderen. Een Don Quichot-achtig boek; ambitieus, grappig en ook een tikkeltje vreemd. “Er zit in alle drie de boeken humor en zelfspot, maar verder ga ik alle kanten op.”

Waar gaat je nieuwste boek, De verovering van Vlaanderen, over?
Over Alco van Puffelen, een heel fijn personage, vind ik zelf. Hij heeft nooit iets bereikt in zijn leven, mede door de centen van zijn vader. En dan, tijdens een lunch met diezelfde vader, draait hij door. Hij stapt op – nou ja, hij ontsnapt door het raampje in het toilet – en maakt zich op om Vlaanderen te veroveren, om zo een plaats in de geschiedenisboeken te krijgen.

Jouw hoofdpersoon is, kunnen we wel stellen, een beetje wereldvreemd. Hij is er heilig van overtuigd dat zijn missie de Nederlanden gaat redden. Hoe ben je op dat idee gekomen?
Ik heb drie, vier jaar geleden pas Don Quichot gelezen en dit is natuurlijk een beetje een Don Quichot-thema; een gek die de wereld wil verbeteren. Eigenlijk ben ik gaan schrijven vanuit frustratie over romans, of literatuur, en dat kan je nog wel terugzien in de eerste pagina’s. Ik denk dat ik destijds zelf gefrustreerd was over Verdwenen grenzen, en politiek gedoe rond A27. Toen dacht ik: ik kan nu een standaardroman schrijven, óf ik kan een knettergek personage neerzetten, die alles kan maken wat hij wil. Bijvoorbeeld: na zijn ontsnapping komt Alco bij zijn huis, ziet een groep Aziatische toeristen staan en toen liet ik hem stilstaan, naar die toeristen kijken en hij dacht dat het ninja’s waren. Dat kwam in me op, ook al sloeg het helemaal nergens op. Dan stormt hij op de toeristen af en probeert er eentje in de gracht te gooien. Op dat moment had ik de toon te pakken en wist ik dat ik er een heel boek mee vol kon schrijven. Gek, grappig, en soms totaal over de schreef. Doorgaan met het lezen van “Interview met Stefan Popa”

Dirk, opa en ik

Tien jaar geleden, op 23 april 2006, werd Feyenoord in de Kuip door Ajax vernederd. Het was niet de eerste keer, het zou niet de laatste keer zijn. En toch, als ik nu terugdenk aan die wedstrijd, was het lange tijd de meest cruciale, de meest pijnlijke. Want het vormde een keerpunt in mijn Feyenoorder-schap. Die dag was heel Rotterdam er namelijk van overtuigd dat Dirk Kuyt, mijn held, zijn laatste wedstrijd als Feyenoorder had gespeeld. Het was al niet veel, en het zou alleen maar minder worden.

Opa
‘Vroeger,’ begon mijn opa haast al zijn verhalen. ‘Toen was voetbal nog een echte mannensport. Je had gasten als Van Hanegem, Laseroms, Israël, dat waren echte kerels. Als je daarlangs ging kreeg je een schop.’ Het zijn zinnen die iedere Feyenoorder geboren na 1970 te horen zal hebben gekregen van de generatie die de glorietijd wel heeft meegemaakt. Zo ook ik. Ik las liever boeken dan dat ik een bal moest aanraken, maar als opa sprak luisterde je. En door zijn verhalen over Feyenoord begon het te klinken als iets moois, iets waar je onderdeel van wilde zijn, iets wat je meegemaakt wilde hebben. ‘Maar tegenwoordig zijn het allemaal van die mietjes. Ik kijk hoogstens een samenvatting, negentig minuten trek ik niet. Nee, geef mij maar wielrennen.’

De liefde voor Feyenoord zat diep bij mijn opa. Maar het was een liefde die vooral gebaseerd was op het verleden. Net als mijn opa heb ik het talent om in het verleden te leven, om al met weemoed terug te denken aan iets terwijl het nog gaande is. Wij hebben de kwaliteit om iets te missen dat recht voor onze ogen staat, wat we letterlijk nog vast kunnen houden.

Voor een Feyenoorder die de gloriejaren heeft meegemaakt is het makkelijk om weemoed te kennen. Er valt daadwerkelijk iets te missen. Je hebt succes gekend, je hebt jouw club als eerste Nederlandse vereniging de beste van Europa en later van de wereld zien worden. Je hebt het allerhoogste gezien en je hebt het daarna in kunnen zien storten.

Hoewel ik geboren ben in 1992, heb ik zelfs de UEFA Cup-winst niet bewust meegemaakt. We zaten op een camping, speelden een spelletje en toen Feyenoord begon gingen mijn ouders de wedstrijd kijken. Ik speelde liever verder en keek alleen de tweede helft mee. Het deed me weinig. De liefde voor voetbal en voor Feyenoord kwam pas een jaar later. De eerste wedstrijd die ik van begin tot eind zag was Feyenoord-Ajax in april 2003 voor de halve finale van de beker. Het was een van de mooiste klassiekers ooit met kansen over en weer, scheidsrechterlijke dwalingen waar zelfs Danny Makkelie bij verbleekt en een Feyenoord dat ondanks alle tegenslag overwon. Toen begon de liefde, en een paar maanden later was er geen weg meer terug. Doorgaan met het lezen van “Dirk, opa en ik”

6 – Een nieuwe traditie

Moet je ons echt storen op nieuwjaarsdag?
Ja. Maar u mag ook morgen terugkomen.

Hup. Voor de draad ermee.
Het is 2016.

Dus?
Dus gaat dit echt helemaal mijn jaar worden!!!!

*zucht*
Ik ben bloedserieus. 2016 is een schrikkeljaar en ik ben een schrikkelkind. Voor de leken: geboren op 29 februari en dus maar eens in de vier jaar jarig. Omdat de semi-verjaardagen eigenlijk vooral heel erg kut zijn (‘Ik wil je eigenlijk niet feliciteren want je bent helemaal niet jarig maar toch een fijne dag gewenst’ is iets wat ik ieder jaar op 1 maart wel minstens één keer te horen krijg (wat klopt, want ik vier het op 28 februari, fuckers)) wil ik de echte verjaardagen (29 februari dus) bijzonder maken.

En dat ga je doen door…
Een traditie te beginnen.

Toch niets racistisch of iets waarbij ons zichtvermogen en ledematen in gevaar komen?
Geen zorgen. Ik ga heel braaf en onschuldig mijn eerste solo-boek uitbrengen. Het idee is heel simpel; ik kom ieder schrikkeljaar op mijn verjaardag met een nieuw boek, een verhalenbundel welteverstaan. Aangezien ik dit jaar zes word, zitten er zes verhalen in die bundel. In 2020 word ik zeven, dus u kan wel raden uit hoeveel verhalen de bundel dan bestaat.

Oké, oké. Gratis e-books, een zesdelige reeks waarbij het laatste deel vijftig euro kost en nog een vierhonderdpagina tellend essay over Hitler bevat, of hoe moeten we dat voor ons zien?
Ik doe niet aan e-books, het wordt een papieren boek dat – inclusief verzendkosten – tien euro zal kosten. Ik ga zes exemplaren gratis weggeven.

Gratis?
Gratis.

Gratis is altijd goed. Hoe krijgen we dat boekje van jou gratis opgestuurd?
Door er één te bestellen, of meerdere, dat mag ook.

Je zei gratis.
Klopt. Iedereen bestelt een boek, ik verstuur ze, verplicht iedereen die het ontvangt te wachten met openen tot 29 februari en dan, op de grote dag, is het feest en iedereen wordt gek en zes mensen worden zelfs zo gek van vreugde dat ze opgesloten moeten worden in een psychiatrische inrichting, want zij krijgen hun geld terug en dus een gratis boek!!!

Je lijkt Willy Wonka wel.
Ik mag me als vijfjarige nog als een kleuter gedragen, laat me.

Je begint vervelend te worden, laten we afsluiten. Hoe valt dat boek te bestellen?
Simpel. Wie geïnteresseerd is moet een mail sturen naar robertjandijkgraaf@gmail.com en dan zorgen we ervoor dat alles goed komt. Met het boek dan, op verdere ontwikkelingen in jullie leven heb ik weinig invloed. Voor de mail volstaat een simpele ‘Geef me je boek’, ‘Yo’, ‘Sup’, ‘Geachte heer Dijkgraaf…’ of gewoon lekker ouderwets ‘!’. Ik ben de moeilijkste niet.

Voor degene die vanuit zijn/haar cultuur enkel cursieve teksten leest: 6 gaat tien euro kosten en valt te bestellen door een mail te sturen naar robertjandijkgraaf@gmail.com

 

Vier jaar later

Precies vier jaar geleden, om 12.25 op zaterdag 26 november 2011, nam een bejaarde man het niet zo nauw met de regels rondom haaientanden. Hij gooide zijn auto voor de mijne en zoals met vrijwel alle auto-ongelukken was het daarna een kwestie van seconden. Ik probeerde uit te wijken, in de hoop dat de man zou remmen, wat hij niet deed. Op dat moment waren de twee meest voor de hand liggende mogelijkheden dit: 1. Hij zou mij de sloot in rijden. 2. Ik stuur terug naar mijn eigen weghelft maar raak de man vol, met tachtig kilometer per uur.

Instinctief ging ik voor optie twee en met alle geluk van de wereld stapten we tien seconden later allebei uit onze totaal vernielde auto’s. Eén seconde later het stuur naar rechts en ik had iemand doodgereden. Toch voorlangs proberen te gaan en ik had het zelf hoogstwaarschijnlijk niet overleefd.

Maar dat gebeurde niet.

Die avond, nauwelijks bekomen van de schrik maar dolblij met het feit dat ik nog leefde (en oké, ook wel dat die ouwe lul er nog was), beloofde ik mezelf dat ik een aantal dingen zou veranderen. Zo zou ik me minder zorgen maken om triviale dingen en het mezelf gunnen om dingen te doen waar ik echt gelukkig van word. Nog de volgende dag bestelde ik een seizoenkaart voor Feyenoord, maar drastischer dan dat werd het niet.

En terwijl de tijd rustig doorging en ik eigenlijk alleen op kruispunten nog terugdacht aan dat ene moment – met angstzweet op plaatsen waar ik maar niet over zal uitweiden – werd ik steeds iets minder gelukkig.

Het grootste probleem: school.

De afgelopen twee jaar heb ik veel last gehad van depressies. Natuurlijk waren er goede dagen, soms zelfs volledige weken waarin het uitstekend ging – meestal waren dat de vakanties. Maar zodra die voorbij waren kwam alles terug. De wanhoop, de machteloosheid, het totale gebrek aan redenen om je bed nog uit te gaan. En steeds was mijn opleiding daar de reden voor. Dan had ik de zomervakantie doorgewerkt aan verslagen, leverde die op 1 september in en kreeg vervolgens te horen dat de opdracht veranderd was. Of dan vroegen wij vanaf 1 september wanneer de deadline was, wist niemand ons hier antwoord op te geven, tot twee weken voor de deadline, waardoor een hele groep een half jaar extra studievertraging te pakken had.

Afgelopen zomer had ik eindelijk de ballen om iets te doen aan de depressies waar ik door mijn uitzichtloze schoolsituatie in terecht was gekomen. Ik bezocht tweewekelijks een psycholoog en iedere keer ging het weer een stukje beter, kreeg ik eigenwaarde terug. Op 31 augustus hadden we een laatste afspraak. Drie weken later volgde nog een evaluatiegesprek maar gezien de voortgang zou dat slechts een formaliteit zijn.

Op 1 september ging ik weer bezig met mijn studie. Een gesprek met een studieloopbaanbegeleider volgde, zes punten die ik eerder had behaald verdwenen en ik kwam weer precies in de put waar ik de twee jaar daarvoor zo wanhopig probeerde uit te komen. Weer de wanhoop, weer de eenzaamheid, weer het zoeken naar redenen om uberhaupt op te staan. Wat je vaak hoort over depressies is dat het voelt als een moeras. Daar zit veel in. Maar wat ik altijd mis is de vergelijking met anderen. Wat voor mij zo onverteerbaar was, was dat iedereen doorging met zijn of haar leven. Iedereen maakte stappen, haalde een diploma, kreeg een (meestal geen journalistieke) baan of begon aan een nieuwe opleiding. Iedereen ging door, behalve ik. Het was alsof jij huisarrest hebt en je al je vrienden buiten hoort spelen. Maar dat dan twee jaar lang.

Ik heb er vaak over nagedacht om een lang en vooral uiterst gedetailleerd verslag te schrijven over alle regels die de opleiding negeerde, alle beloftes die niet werden nagekomen. Dan zou ik bovengenoemde nog verder uitlichten en al die andere afspraken benoemen die men niet nakwam. Dan zou ik het vanuit journalistiek oogpunt nuanceren door te stellen dat er nou eenmaal problemen waren met de accreditatiecommissie en dat men dus alles moest aangrijpen om het niveau van de opleiding te verbeteren.

Dat zou ik kunnen doen.

Het punt is: het heeft geen zin. Het blijft een slechte opleiding met weliswaar een aantal zeer goede docenten, maar bovenal met een stel incapabelen aan het roer. Mensen die de regels zo vaak veranderen dat studieadviseurs het ook allemaal niet meer weten en dus onbedoeld foute informatie verspreiden.

Ik kan daar wel boos om worden, en geloof me; tot een maand geleden hoefde ik maar aan het woord Windesheim te denken om te koken van woede. Maar uiteindelijk was er maar één oplossing: stoppen. Het werd een gevecht met een systeem waarvan ik nooit kon winnen en vanaf het moment dat ik besloot te stoppen, op 27 oktober, voel ik me bevrijd.

En nu?

Nu ga ik een jaar werken om op 1 september te beginnen aan een nieuwe opleiding, die voor docent Nederlands. Daarnaast ga ik weer meer schrijven. (Eind februari komt mijn eerste solo-boek uit, waarover 1 januari meer.) Mijn doel was altijd om journalist te worden, romans te schrijven en dan rond mijn veertigste het onderwijs in te gaan. Maar als de afgelopen jaren me iets geleerd hebben dan is het wel dat ik nu moet gaan voor datgene wat ik wil. Vier jaar later, en eindelijk maak ik de drastische, maar weloverwogen, keuzes die nodig zijn.

Afgelopen dinsdag had ik mijn laatste afspraak bij de psycholoog en in tegenstelling tot twee maanden geleden was het nu echt slechts een formaliteit. Het is klaar. Ik kan weer door.

Tot de sloop ons scheidt (juni 2013)

Ik ben een Feyenoorder. En Feyenoorders zijn een apart slag volk, masochisten in de meest pure vorm. Ze weten dat ze vaker teleurgesteld worden dan dat ze reden hebben om te lachen. Ze weten dat ze vaak het lachertje van de Eredivisie zijn en daar zijn ze nog trots op ook. Ik ben een Feyenoorder, een masochist. En daar ben ik trots op.
Nog wel.

Het afgelopen seizoen was er, zoals altijd, heel even de hoop op een kampioenschap, dat er, zoals altijd, niet kwam. Dat is Feyenoord. Hopen, hopen maar het zelden krijgen. Het maakte mij niet uit. Niet omdat we in het voorgaande jaar al zoveel dierbare herinneringen hadden opgebouwd – ook dat -, maar vooral omdat er achter de schermen een veel belangrijkere strijd gaande was. Het bestuur van Feyenoord en dat van De Kuip willen namelijk een nieuw stadion. De Kuip zou ‘op’ zijn.
Op.
Vanaf het moment dat ik dat hoorde werd voetbal ondergeschikt. Ik kon me niet langer druk maken over wel of geen buitenspel, over een bestuur dat een miljoen uitgeeft aan miskopen als Lex Immers. Dat alles was niet meer relevant toen het Feyenoordbestuur het fundament onder mijn club vandaan wilde halen.
De Kuip was voor mij, en vele andere Feyenoorders, dé reden om voor Feyenoord te worden. Niet het verleden van de club, vol met Europese overwinningen en prachtige verhalen, trok mij aan, maar het stadion. De vibrerende tribunes van De Kuip waren mijn thuis geworden.
“Van het verleden kun je niet vreten,” zegt Feyenoord-directeur Eric Gudde in een poging om het belang van een nieuw stadion duidelijk te maken.
Ik hoor het aan, denk terug aan de jaren dat mijn vader en ik om de andere week van Friesland naar Rotterdam reisden om onze club te zien en voel woede opkomen. Woede om een stadion. Maar waarom, het is toch maar een verzameling van beton en ijzer? Doorgaan met het lezen van “Tot de sloop ons scheidt (juni 2013)”

Dan is het voorbij

Is dit geen buitenspel?
Dan is het, dan is het voorbij
Als dit geen buitenspel is, is het voorbij
Iniesta, Iniesta…

Frank Snoeks was het die deze woorden vier jaar geleden uitsprak en iedereen wist dat het waar was, dat Nederland de finale zou verliezen. Op dat moment ging er ook een andere gedachte door mij heen, namelijk dat Nederland zojuist de enige WK-finale had verloren waarin ik ze ooit zou zien spelen. De grote landen werden steeds sterker, Nederland steeds zwakker, het was destijds in mijn ogen nu of nooit.

Nou heeft Nederland de WK-finale niet gehaald. In die zin kan mijn ‘angst’ van toen nog altijd waarheid worden. Vooraf had ik verwacht dat we tweede zouden worden in de poule (achter Spanje) en er vervolgens tegen Brazilië uit zouden gaan. Achtste finale, klinkt niet goed, maar gezien de loting was het in mijn ogen het maximaal haalbare en iets waarvoor we ons niet zouden hoeven schamen. Achter Spanje eindigen kan gebeuren en verliezen van het gastland en tevens de torenhoge favoriet ook.

Maar we weten allemaal wat er gebeurde op 13 juni, de dag dat we wereldkampioen Spanje met 1-5 vernederden. Plotseling ging ik er weer in geloven. Plotseling vond ik de gedachte dat mij en mijn generatie slechts één WK-finale gegeven is een bizarre. Want waarom zou het niet kunnen? Waarom zou Nederland het niet beter kunnen doen dat vier jaar geleden? Nu, achteraf, zullen sommigen wellicht stellen dat we het toen beter deden, omdat we de finale haalden. Maar ik denk terug aan het WK van 2010 en dan zijn er slechts twee wedstrijden die ik nog heel helder voor de geest heb; de legendarische wedstrijd tegen Brazilië en de zeperd tegen Spanje.

Als je heel eerlijk bent, verdienden we het toen eigenlijk niet om in de finale te staan. Zowel Duitsland als Spanje waren op papier vele malen sterker dan wij. We hadden geluk met de loting, het feit dat we groepshoofd waren, en het feit dat Slowakije wist te stunten. Dit jaar was dat anders. We kregen vele legendarische wedstrijden voorgeschoteld en als je over tien jaar vraagt welke landen nou echt imponeerden, zal Nederland altijd genoemd worden. Het Nederland dat Spanje met 1-5 versloeg en het Duitsland dat Brazilië met 1-7 vernederde, zullen herinnerd worden. En juist daarom is het zo zuur. Juist omdat dit elftal de finale zoveel meer verdiende dan het vorige, komt de klap van gisteren zo hard aan.

Louis van Gaal kreeg het voor elkaar om een elftal met slechts drie wereldtoppers te laten geloven in eigen kunnen. Hij kreeg spelers als Daley Blind, Georginio Wijnaldum en Stefan de Vrij zover dat ze geloofden dat zij wereldkampioen konden worden. En hij kreeg het volk zover dat ook te doen.

Daarvoor moeten we hem en zijn spelers dankbaar zijn. Maar nog meer dan vier jaar geleden het geval was, had ik dit toernooi het gevoel dat het nu of nooit was. De generatie Sneijder, Van Persie en Robben zal over vier jaar wellicht nog wel mee gaan, maar zij zullen niet kunnen schitteren zoals ze nu bij vlagen deden. In die zin blijft de angst bestaan. Want de verdediging kan nog jaren mee, maar wat komt daarvoor te staan? Welke spelers kunnen het land zo in vervoering brengen als Arjen Robben dat deed?

 Ik vrees met grote vreze. Maar dat deed ik vier jaar geleden ook, dus luister niet naar mij.

Op weg naar

Ja, goeie bal,
goeie bal,
Robben,
op weg naar,
op weg naar,
Arjen Robben…

Op mijn kamer staan twee kleine canvassen van Arjen Robben. De eerste is een foto gemaakt op 11 juli 2010, vlak na het laatste fluitsignaal van de WK-finale. Gedesillusioneerd kijkt Robben omhoog, waarschijnlijk denkend aan de kans die hij miste. Op de tweede balt hij zijn vuisten en schreeuwt in de lucht, vlak nadat hij de Champions League won. Arjen Robben; je haat hem vanwege zijn vervelende en aanstellerige maniertjes of je houdt van hem omwille van zijn onnavolgbare acties. Het lijkt me overbodig te zeggen tot welke categorie ik behoor.

Sinds zijn gemiste kans in Johannesburg is het anti-Robben kamp gegroeid en werd het eenzamer in het pro-Robben kamp. Velen nemen hem de gemiste kans kwalijk. Commentator Frank Snoeks meent dat hij bij elke belangrijke treffer die Robben maakt, nog steeds moet verwijzen naar die ene gemiste kans van vier jaar geleden. En nee, de goal die hij maakte in de Champions League finale zal die kans voor ons Nederlanders nooit meer terugdraaien. Maar het mooie van Arjen Robben is dat hij – ondanks wat zijn maniertjes en schwalbes ons soms doen vermoeden – alles behalve een mietje is. Keer op keer vocht hij zich terug van een zware blessure. Blessures die voor de gemiddelde topsporter allang het einde zouden betekenen.

Zo ook vlak voor het WK van 2010. Want riepen we destijds niet allemaal dat we zonder Robben in Zuid-Afrika niks te zoeken hadden? Zonder hem waren we kansloos, was het verhaal. Maar hij vocht zich andermaal terug en overrompelde samen met Sneijder titelfavoriet Brazilië. Hij kopte ons definitief langs Uruguay en bracht ons de WK-finale, maar misschien nog wel belangrijker; hij bracht ons hoop. Wat de generatie van Koeman, Van Basten en Rijkaard niet lukte, kreeg die van Robben, Sneijder en Van Persie wel voor elkaar. Nee, we werden er geen wereldkampioen mee. Robben bleek niet op weg naar de eerste ster boven onze brullende leeuw. Robben bleek op weg naar een nationaal trauma en de teen van Iker Casillas.

En dat bleef knagen. Ook nadat hij de matchwinner werd tegen Borussia Dortmund. Want dat deed hij toch voor een Duitse club, en wat hadden we graag gehad dat… Jarenlang zeulde hij die last met zich mee. Dat onterechte schuldgevoel tegenover het volledige Nederlandse volk. Wat was het hem dan ook gegund dat uitgerekend hij Casillas op de knieën kreeg en het slotakkoord mocht aantekenen. Dat hij eindelijk echt kon afrekenen met zijn grote kwelgeest. Dat hij de wereld eindelijk kon laten zien dat hij ondanks al die blessures nog steeds tot de absolute wereldtop behoort.

We weten niet wat dit toernooi ons nog zal brengen. Of de revanche beperkt zal blijven tot die waanzinnige overwinning op Spanje in de groepsfase, of dat het ook daadwerkelijk lukt om de wereldbeker op te tillen. Misschien vliegen we er tegen Costa Rica uit. Maar wat de afloop ook moge zijn, hopelijk is iedereen nu eindelijk bereid hem te vergeven voor vier jaar geleden en te kijken naar wat hij ons ook dit jaar weer heeft gegeven; hoop.

Robben,
op weg naar,
op weg naar…

Het Grote Kerstboek 2014 (Update)

In december 2013 kondigde ik een schrijfproject aan, een project waarvoor ik elke week een kort verhaal diende te schrijven. Inmiddels is 2014 bijna twee maanden onderweg. Zo heb ik bijvoorbeeld al geschreven over een man die geen midlife-crisis heeft maar er wel eentje wil, over een reeks woorden – onder andere hockey, palmbomen en eend – en ik moest een fictieve moord plegen. Nu is het weer tijd voor nieuwe impulsen. Het project begint echt vorm te krijgen maar ik heb weer nieuwe namen, woorden of onderwerpen nodig.

Met welk woord moet ik beginnen? Waarmee moet ik eindigen? Welke film of welk liedje moet ik vervormen naar een kort verhaal? Het maakt niet uit wat je me wil laten doen, geef mij iets en ik schrijf erover.

Een jaar vol boeken

Voor 2013 nam ik me voor om weer meer te gaan lezen, iets wat ik altijd al graag deed maar waar ik lang te weinig tijd voor nam. Dit jaar (her-)las ik elke week wel een boek, van The Perks of Being a Wallflower waar ik het jaar mee begon tot HhhH, het boek dat ik een uur geleden heb weg kunnen leggen. Om jullie deelgenoot te maken van alle pareltjes die ik las, hierbij mijn favorieten, de boeken die mijn leven op wat voor manier dan ook mooier maakten. Doorgaan met het lezen van “Een jaar vol boeken”

Het Grote Kerstboek 2014

Het Grote Kerstboek 2014? Wat ben je van plan joh?
Ik wil een jaar lang elke week een kort verhaal van zo’n duizend tot tweeduizend woorden schrijven.

Oké, en wat boeit ons dat?
Geen idee, boeit jullie dat iets?

Nee. Maar vertel, vanwaar dit bericht?
Elke week tweeduizend woorden schrijven moet op zich haalbaar zijn, maar om elke week inspiratie te hebben voor een verhaal, is dan weer totaal iets anders. Wat hulp zou dus wel fijn zijn.

Wat wil je van ons?
Van alles, maar in dit geval slechts een idee. Waar willen jullie dat ik over schrijf? Wat mijn idee is, is dat jullie onderwerpen, woorden, namen, zinnen of volledige pagina’s aanleveren en dat ik daar een verhaal van maak. Het kan over van alles gaan en het kan ook in elk denkbaar perspectief geschreven worden. Wil jij dat ik in briefvorm een verhaal schrijf over constipatie-problemen dan doe ik dat met alle liefde – maar dat is nu niet meer origineel natuurlijk.
Wat ik dus hoop is dat jullie iets aanleveren. Een eerste/laatste woord, een eerste/laatste zin, tien woorden die ik moet gebruiken, een verhaal over een kabouter die jouw naam draagt, wat dan ook. Je kan me heel dwingend een bepaalde hoek in sturen of me juist bewust heel vrij laten door bijvoorbeeld alleen een naam voor het hoofdpersonage te kiezen. Het is allemaal goed.

En dan?
Dan schrijf ik een verhaal voor je.

En dan?
Dan bundel ik al die verhalen aan het eind van het jaar. Inmiddels heb ik al wat korte verhalen geschreven, die zal ik dus aanvullen tijdens de komende maanden. Mijn streven is om op 1 december 2014 zo’n 53 verhalen te hebben, dan heb ik nog voldoende tijd om de bundel te laten drukken en naar een ieder die dat wil te verzenden. Het is mijn persoonlijke kerstcadeau aan jullie, voor kerst volgend jaar.

En daar moeten we dan voor betalen?
Ja. De druk- en verzendkosten wil ik er natuurlijk wel uithalen, ik ben geen Kerstman. Maar het zal maximaal twintig euro per boek gaan kosten. En je bent natuurlijk niet verplicht om het ook daadwerkelijk te bestellen. Als je enkel een creatieve bijdrage wilt leveren vind ik dat al meer dan voldoende. Mocht je wel een fysiek exemplaar willen ontvangen hoef je daar natuurlijk pas tegen die tijd voor te betalen.

Oké, helder. Hoe zorg ik dat je mijn idee/opdracht binnen krijgt?
Heel simpel. Stuur een mailtje via het contactformulier of, als je mij persoonlijk kan bereiken via Twitter, Facebook, WhatsApp of postduif: stuur een berichtje en dan ga ik er mee aan de slag.

Kom maar op!

Maak een gratis website of blog op WordPress.com.

Omhoog ↑